Plunderaarsskin Bolthorns vloek

Hoewel Jarl Bolthorn de kenmerkende bijl van een Plunderaar bij zich droeg, maakte hij naam onder zijn volk door zijn vijanden met blote handen te doden. Zo verwierf hij zijn bijnaam 'Ravenhanden'. Als brute heerser met hart voor zijn volk had Bolthorn zijn buik vol van het leed dat zijn clan bleef treffen. Elk jaar weer worstelden zijn mensen met natuurrampen, invasies, wrede oorlogen en steeds minder grondstoffen. Bolthorn verliet zijn troon om een einde te maken aan al deze ellende en zwoer dat hij op een dag zou terugkeren met een oplossing.

Jarenland verkende de Viking de gebieden ten westen van Heidevenen. In de uitgestrekte woestijn stuitte hij op een oude tempel, half begraven in het zand. Daar vond hij de Scarabeearmband, een magisch artefact dat ooit toebehoorde aan een machtige beschaving. Bolthorn nam het reliek mee terug naar zijn volk, maar daarmee ook een oude vloek. Nu lijdt zijn volk erger dan ooit en is Bolthorn gedoemd om door zijn stervende land te dolen, in de ban van de zwarte magie van de armband.

Het Zand der Verdoemenis

Deel I.

De zon had zijn hoogste punt bereikt en geselde Bolthorn als een machtige vuurgod. De kap die hij had gemaakt van een versleten kleed dreigde met iedere stoot van de onophoudelijk waaiende wind af te worden geblazen. Maar de Plunderaar hield hem stevig vast en liep stug door. De wind bood geen verkoeling tegen de hitte en de zon. Hier in de woestijn was het niets meer dan een extra obstakel. Zijn huid was vuurrood door de blootstelling aan het zonlicht, zijn lippen gesprongen door een gebrek aan water. Elke beweging deed pijn aan zijn spieren. Hij snakte naar de verkoelende wind van Valkenheim, naar de besneeuwde bergen aan de horizon en de verfrissende smaak van mede. En naar de aanraking van iets dat niet zo schuurde als dit ellendige zand. Het leek allemaal zo ver weg. Een andere wereld. Een ander leven. Dit was geen plek voor een Viking, maar toch was hij hier uit vrije wil heen getrokken.

Lang geleden – hij herinnerde zich niet meer hoelang geleden – had hij huis en haard verlaten met maar één doel: zijn volk verlossen van al het leed. Zijn clan bestond uit trotse mensen, maar ze hadden in korte tijd vreselijk veel voor hun kiezen gekregen. De uitzichtloze oorlog had de levens geëist van familieleden, vrienden en wapenbroeders. De elementen zelf hadden onophoudelijk schade aangericht. Te veel lichamen waren begraven en te weinig overwinningskreten schalden door de zalen. Het was de hoogste tijd om een einde te maken aan deze slachting, aan deze verliezen. De Vikingen moesten weer voelen wat glorie is. En als die glorie niet te vinden was in het thuisland, dan maar elders.

Bolthorn was verder gereisd dan wie uit zijn clan dan ook. Maar na al deze tijd was hij nog niets noemenswaardig tegengekomen. Nou ja, dat was niet helemaal waar. Er was de Scarabeearmband. Niet al te lang geleden raakte de Plunderaar tijdens het verkennen van een oude tombe bevriend met een vreemdeling. Bolthorn was dankzij deze vreemdeling ternauwernood ontsnapt aan een dodelijke valstrik. De twee mannen vonden de rustplaats van de mythische armband. Volgens de vreemdeling bezat de armband een genezende kracht. Maar hij legde ook uit dat deze kracht niet was bedoeld voor stervelingen en was gebonden aan de heilige grond waar de mannen hem aantroffen. De Viking hield zich daaraan, uit respect voor de man die zijn leven had gered.

Met lege handen trok Bolthorn huiswaarts. Hij overpeinsde zijn terugkeer naar Valkenheim en vroeg zich af hoe zijn volk hem zou onthalen. Zouden ze blij zijn hem te zien? Of zouden ze op hem neerkijken, teleurgesteld en verbitterd?

Voor hij die vraag voor zichzelf kon beantwoorden, ontwaakte de Plunderaar ruw uit zijn door de hitte veroorzaakte roes. Een stuk of zes woestijnrovers hadden het op hem gemunt. Het stof waaide op toen ze plotseling tevoorschijn kwamen uit het zand waarin ze zich hadden verscholen. Ze stortten zich op hun eenzame prooi.

De rovers krijsten in een taal die hij niet verstond. Maar dat was ook niet nodig. De taal van oorlog verstond hij overal. Eerlijk gezegd stond hij niet te springen om een gevecht. Hij had veel te lang rondgezworven. Hij hief zijn bijl, die lange tijd dienst had gedaan als wandelstok. De kling glinsterende in het zonlicht toen Bolthorn zijn aanvallers te lijf ging. Hij ontweek en pareerde de zwaarden van de bandieten en onthoofdde de vijand die het dichtst bij was. Maar daarvoor betaalde hij een prijs, want twee andere bandieten vielen hem van achteren aan. Bolthorn ging door zijn knieën, maar niet voordat hij het hoofd van een van zijn aanvallers wist te verpulveren met zijn blote handen. Zijn wonden waren te diep, maar hij verbeet de pijn. Met de bijl in zijn ene hand en het zwaard van een van zijn slachtoffers in de andere wist Bolthorn er nog twee te doden. Daarna nog een. En uiteindelijk rolde ook de laatste rover van een zandduin naar beneden om nooit meer op te staan. Daar stond Bolthorn, onder een verschroeiende zon, badend in het bloed van zijn vijanden. Robijnrode regen bood tijdelijke verkoeling en gaf hem nieuwe energie.

Maar hij was ernstig gewond. Erger dan hij wilde toegeven. Hij wist dat hij in deze toestand nooit levend thuis zou komen. Hij had hulp nodig. En in deze godverlaten woestijn was er maar één ding dat hem echt kon genezen. Iets dat zijn leven kon redden.

Bolthorn Ravenhanden, de trotse en machtige Viking, geveld door miezerige rovers? Over zijn lijk. Hij moest en zou dit overleven. Een nieuwe nederlaag was te dichtbij. Een nieuw verlies. Hoeveel verliezen kon hij nog verdragen? En zijn clan?

Genoeg. Het werd tijd voor een overwinning. Voor hem en zijn volk. Hij kon niet met lege handen thuiskomen. Valkenheim moest nog even geduld hebben. Hij moest terug. In beloften kon je niet wonen. De Scarabeearmband behoorde hem toe.

Deel II.

Een oceaanwind speelde met Bolthorns haar. Hij stond op de boeg van het schip en liet het over zich heen komen. De aanblik waar hij jaren naar had verlangd. Zijn tijd in de woestijn had een eeuwigheid geleken. De contouren van de Rivierveste maakten hem gelukkiger dan hij had gedacht. Met zijn hand stevig om de rand van de boot geklemd, keek hij naar de Scarabeearmband om zijn pols. Opnieuw ervoer hij de warmte die hij voelde toen de armband zijn wonden genas en de kracht toen hij hem zag gloeien om zijn arm. Met dit reliek kon hij een tijdperk van nieuwe glorie inluiden voor zijn clan. De naam van de onbevreesde Plunderaar zou door iedereen worden aanbeden. Bolthorn Ravenhanden.

Hij had de armband makkelijker in zijn bezit gekregen dan hij had gedacht. Eenmaal terug in de tombe waar hij de armband voor het eerst had gezien, wist hij de vallen te ontwijken die hem bijna zijn leven hadden gekost. Ergens voelde hij zich schuldig omdat hij iets meenam waarvan hij had gezworen ervan af te blijven. Maar de situatie was te uitzichtloos. Het lot van zijn mensen hing af van dit artefact. Hij moest een einde maken aan hun lijden en een verbroken belofte leek hem daarvoor een kleine prijs om te betalen.

Nadat hij was aangemeerd, zette hij voor het eerst weer voet op bekend terrein, zijn laarzen nog vol zand van zijn verre avontuur. Er was niets veranderd. Het zachte geluid van de golven. De zoete geur van bloemen. Het groene landschap, glinsterend in het zonlicht. Voorbodes van een vruchtbare lente. Zijn terugkeer leek op het juiste moment te komen. Het was het seizoen van wedergeboorte, de nieuwe start die hij ook in petto had voor zijn mensen.

Een paar dorpelingen keken hem verbaasd aan toen hij langsliep, twee zware schatkisten met zich meezeulend. Sommigen fluisterden onder elkaar. Anderen keken bezorgd. Het maakte de Plunderaar wat huiverig tijdens zijn eenzame tocht naar de ingang van het kasteel. Achter die stenen muren bevond zich zijn troon. Maar er kwam iemand naar buiten die hij niet had verwacht. De uit de kluiten gewassen Krijgsheer Njal, die zich een nieuw pantser en een nieuwe lichaamshouding had aangemeten die de vermoedens van de Plunderaar bevestigden. Tijdens zijn afwezigheid had Njal zijn plaats op de troon ingenomen. Er waren overduidelijk toch wat dingen veranderd.

Njal zat duidelijk niet te wachten op Bolthorns terugkeer en stuurde twee wachters op hem af. Bolthorn besefte dat hij zijn bijl op het schip had laten liggen. Hij liet een van zijn kisten neerdalen op de wachter links van hem, goud uit verre landen spillend, en stortte zich op de ander. Bolthorn nam hem zijn wapen af en doodde beide mannen waarna hij zich richtte tot zijn 'opvolger'.

"Je had weg moeten blijven", zei Njal met schorre stem en hij greep naar zijn zwaard.

Bolthorn klemde zijn wapen steviger vast en schudde het hoofd. "En jij had je plek moeten kennen", antwoordde hij. De mensen vormden een cirkel om de twee Vikingen die elkaar te lijf gingen. Even was het muisstil in het dorp, op het gekreun en geschreeuw van de twee krijgers na en het gekletter van metaal op metaal. De Krijgsheer probeerde de reputatie waar te maken die hem Bolthorns troon had opgeleverd, maar het was tevergeefs. Tegen de passie en agressie waarmee de Plunderaar vocht, was niemand opgewassen. Want hij vocht niet alleen voor zijn troon, maar ook voor zijn volk. Nadat hij een aanval had afgeweerd, stak hij Njal in zijn maag en trok de kling er aan de zijkant weer uit. Het bloed spoot op de aarde en vormde een plas waar het levenloze lichaam van de Krijgsheer in viel.

De menige bleef stil, net als Bolthorn. Die knielde naast het lichaam van zijn tegenstander en legde zijn hand op diens lichaam. De Scarabeearmband gaf een gouden gloed af, net als de eerste keer dat hij hem omdeed. Dit keer verspreidde het licht zich door zijn arm en over Njal. De mensen hielden hun adem in toen de Krijgsheer plotseling weer tot leven kwam.

Bolthorn stond op en gooide zijn vuist in de lucht, zodat de met stomheid geslagen menigte zijn armband kon zien.

"Aanschouw", riep hij, "onze verlossing!" De cirkel sloot zich steeds meer om de pratende Bolthorn. "Met dit wapen zal ik onze clan weer groot maken!" Hij draaide zich om, sprekend met de overtuiging van een triomfantelijke vorst. "Wij zullen de dood niet vrezen. Hij zal ons gehoorzamen!" Het goedkeurende geroezemoes klonk steeds luider onder de dorpelingen. “Het is tijd dat heel Heidevenen,” zo vervolgde hij, “de ware macht van Valkenheim leert kennen.”

Met beide armen uitgestrekt en de woede van zijn voorvaderen die door zijn aderen stroomde, schreeuwde hij uit: "De tijd van de Vikingen is aangebroken!" Een oorverdovend gejuich steeg op uit de menigte.

Deel III.

In Asveld beweende een boer zijn vee dat 's nachts was overleden.

In het Moeras oogstte een jong meisje slechts stof in de tuin van haar familie.

In Valkenheim ontwaakte een Plunderaar met een arm die raar aanvoelde…

Het was een week vol feestgedruis. Zes dagen achtereen at en dronk Bolthorn als nooit te voren en elke avond viel hij in slaap in de wetenschap dat zijn volk hem adoreerde. Zijn heroïsche terugkeer had de mensen weer hoop gegeven, iets wat ze lang niet hadden gevoeld. Niemand leek rouwig te zijn om het einde van Njals heerschappij. Bolthorn was de rechtmatige heerser van de clan die zijn strepen meer dan had verdiend toen hij de Krijgsheer voor de ogen van zijn volk doodde en op wonderlijke wijze weer tot leven bracht. Elke avond, terwijl het volk at, vertelde Bolthorn over zijn avonturen voorbij de grenzen van Heidevenen. Het waren verhalen over dorre landschappen, gevallen rijken, gesneuvelde vijanden... en gestolen schatten. Sommigen keken naar de Scarabeearmband alsof het een heilig altaar was. Anderen wendden hun blik af om Bolthorn niet de indruk te geven dat zij op het kleinood aasden. Iedereen was ervan overtuigd dat het een nieuwe kracht bezat, eentje die Bolthorn met hen allen wilde delen.

Na weer een avond feestvieren, viel Bolthorn in een diepe slaap. In zijn droom liep hij door de woestijn, een gouden zee zonder einde of begin. Waar hij ook ging, beschermde een donkere schaduw hem tegen de zon. Maar vreemd genoeg was er niets in de lucht. Achter hem doemde een figuur op aan de horizon. Werd hij gevolgd? Het was lastig te zien, want de schaduw werd steeds donkerder.

Hij werd wakker van de pijn. Had hij maar een paar minuten geslapen? Of uren? Hij wist het niet. Zijn hand voelde verdoofd aan. Naarmate hij bleef schudden, kwam het gevoel geleidelijk terug, als naalden die in zijn vingertoppen prikten. Lichtstralen vonden hun weg door de ramen, maar minder fel dan gebruikelijk rond dit uur. Lichte bewolking, dacht hij. Maar toen hij buiten kwam in de hoop het zonlicht op het water te zien dansen, besefte hij dat het veel meer was dan dat. Er hing een dikke waas in de lucht, een gouden sluier die de omgeving leek te verstikken. Hij leek hem aan te kunnen raken, maar toen hij zijn hand uitstak voelde hij enkel leegte. En de leegte, zo besefte hij, strekte zich uit. Hij voelde de leegte diep vanbinnen. Zijn ademhaling stokte en de paniek maakte zich langzaam van hem meester.

Hij rende naar de kust om water in zijn gezicht te plenzen. Maar toen hij daar aankwam, was hij met stomheid geslagen. Het water dat over het strand spoelde, was rood. Tot zo ver zijn blik reikte. Bolthorn deinsde in paniek terug en viel. Hij raapte zichzelf overeind en sprintte naar het fort. Bolthorn schrok zich rot toen hij zag dat de weg naar het fort was bezaaid met levenloze lichamen. Hij stopte om er eentje te onderzoeken en zag dat de ogen van de dorpeling zwart waren en diens gezicht een asgrauwe leegte. Het gisteren nog zo groene gras was nu grijs en viel onder zijn voetstappen uit elkaar.

De pijn in zijn arm laaide op en dwong hem op de knieën. Met het schuim op zijn mond keek Bolthorn naar zijn pols. De armband had zich op een wrede wijze in zijn huid genesteld, het bot haast versplinterend. Zijn huid scheurde, maar hij bloedde niet. In plaats daarvan trok iets duisters door zijn aderen.

Hij besefte wat hem was overkomen. De vreemdeling in de tombe had hem verteld dat de kracht van de armband niet was bedoeld voor stervelingen. Nu ervoer hij wat er gebeurde als een man zich een god waande. Hij dacht dat hij glorie had meegenomen naar huis, maar in plaats daarvan bracht hij meer leed. Meer ellende.

Bolthorn probeerde de armband te verwijderen om snel een einde te maken aan de vloek. Maar wat hij ook probeerde, er was geen beweging in te krijgen. Het betraande, bloeddoorlopen oog van de wanhopige Plunderaar viel op een zwaard, waarschijnlijk toebehorend aan een van de ontzielde lichamen om hem heen. Hij pakte het zwaard stevig vast en drukte zijn andere hand tegen de grond. Na een aantal keer diep adem te hebben gehaald, was hij klaar voor de pijn die hem te wachten stond.

Hij schreeuwde uit volle borst toen hij het zwaard liet neerdalen op zijn onderarm. De schokgolf verraste hem. De klap had het zwaard versplinterd en Bolthorn tegen de grond gewerkt, snakkend naar adem.

De Plunderaar krabbelde verslagen overeind en aanschouwde wanhopig de verwoesting om hem heen. Een gruwelijk schilderij van rood en goud. Genaamd 'De dood'.

De armband had een eigen wil. Hij kon niet worden verwijderd. Niet worden vernietigd. Er moest een prijs voor worden betaald.

Aanbevolen Content

Gevechtspas

Nieuwe bezoekers uit verre landen hebben de verloren reliekenhouder van Wyverndal onthuld. Nu zijn lang vergeten schatten weer toegankelijk voor krijgers. Uit het eeuwenoude verleden van Heidevenen worden oude wapens opgedoken, die weer glinsteren in het daglicht. Rust jezelf uit met de zwaarden van de oorspronkelijke krijgers van Heidevenen en vecht zoals de voorouders dat deden.Neem je personage mee op een reis terug naar de Gouden Eeuw, met 100 niveaus aan beloningen voor alle helden! Alleen beschikbaar tijdens For Honor Y6S1: Gouden Eeuw.

Meer info

Nieuwe held: Piraten

Na een reeks dramatische klimaatveranderingen kregen de piraten een nieuw land in zicht. Lang hadden ze gezworven over de zeeën en nu lag Heidevenen binnen handbereik. Bewapend met hun kenmerkende hartsvanger en pistool spreken de piraten maar één taal: die van geweld. Geen schip, haven of krijger is veilig voor hun agressie.

Meer informatie